PGS 15:2025 vraagt om een nieuw formaat gevaarsetiketten

Wie door een magazijn met gevaarlijke stoffen loopt, ziet meestal verschillende soorten signalering naast elkaar. Op verpakkingen staan CLP-pictogrammen, op transportverpakkingen ADR-etiketten en bij de toegangsdeur hangt vaak een waarschuwingsbord met één of meer gevaarsymbolen. In de praktijk zijn die borden niet altijd even consequent uitgevoerd. Soms zijn ze klein, soms vervaagd en soms staat alleen het zwart-witte LQ-symbool bij de ingang. Ook komt het voor dat een bedrijf uitsluitend het algemene gele waarschuwingsbord voor gevaarlijke stoffen gebruikt, terwijl in de opslag stoffen met zeer uiteenlopende eigenschappen aanwezig zijn.

Met PGS 15:2025 wordt de gewenste veiligheidssignalering aan de buitenzijde van opslagvoorzieningen veel concreter omschreven. Vooral de minimale afmeting van de ADR-symbolen valt daarbij op. Bij een reguliere opslagvoorziening moeten de symbolen minimaal 20 cm bij 20 cm groot zijn. Voor een brandveiligheidsopslagkast geldt een minimale afmeting van 10 cm bij 10 cm. Daarmee wordt een einde gemaakt aan de discussie of een klein ADR-etiket naast de deur voldoende zichtbaar is.

Strikt genomen verandert PGS 15 niet het formaat van de etiketten op de verpakkingen. Het gaat om waarschuwingsborden aan de buitenzijde van de opslagvoorziening. Toch zal men in de praktijk vaak spreken over grotere gevaarsetiketten. Het zijn immers de bekende ADR-ruitvormige symbolen die aan de buitenzijde van de opslag moeten worden aangebracht.

De nieuwste gepubliceerde versie is inmiddels PGS 15:2025 versie 1.1 van april 2026. Deze versie is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde versie 1.0 van januari 2025. In versie 1.1 is vooral het interactieve risicodiagram toegevoegd en zijn enkele koppelingen tussen scenario’s, doelen en maatregelen hersteld. De inhoudelijke eisen aan de veiligheidssignalering zijn niet gewijzigd.

Het waarschuwingsbord moet het werkelijke gevaar laten zien

Maatregel M135 van PGS 15:2025 gaat over de veiligheidssignalering. De kern daarvan is dat aan de buitenzijde van een opslagvoorziening, in de buurt van de toegangsdeur of toegangsdeuren, duidelijk zichtbare waarschuwingsborden moeten zijn aangebracht. Die borden moeten aangeven welke gevaren door de opgeslagen stoffen kunnen worden veroorzaakt. Daarbij gaat het niet alleen om stoffen die volgens het ADR als gevaarlijke goederen zijn ingedeeld, maar ook om relevante CMR- en andere CLP-stoffen.

De gedachte hierachter is eenvoudig. Een medewerker, onderhoudsmonteur, toezichthouder of brandweerman moet vóór het betreden van de opslag kunnen zien met welke gevaren rekening moet worden gehouden. Bij een calamiteit is er geen tijd om eerst veiligheidsinformatiebladen op te zoeken of het volledige stoffenjournaal door te nemen. De signalering bij de ingang geeft de eerste, direct herkenbare waarschuwing.

De ADR-symbolen op een reguliere opslagvoorziening moeten volgens M135 minimaal 20 cm bij 20 cm meten. Het gaat daarbij om de afmeting van ieder afzonderlijk ADR-symbool en niet uitsluitend om de totale afmeting van een verzamelbord waarop meerdere symbolen zijn afgebeeld. Een bord met vier gevarenruitjes van ieder slechts enkele centimeters groot voldoet dus niet aan de bedoeling van de maatregel, ook al is het complete bord groter dan 20 cm.

Voor brandveiligheidsopslagkasten is een kleinere maat toegestaan. Daar mogen de ADR-symbolen minimaal 10 cm bij 10 cm zijn. Dat sluit beter aan bij de beschikbare ruimte op de deur of voorzijde van een opslagkast. De symbolen moeten echter ook daar goed zichtbaar blijven. Ze mogen niet worden verstopt achter een geopende deur, een rolcontainer, een werktafel of opgeslagen materialen.

Het is verstandig om niet alleen naar de afmeting te kijken. Ook contrast, beschadiging, weersbestendigheid, verlichting en de positie ten opzichte van de aanlooproute zijn van belang. Een bord van 20 cm bij 20 cm dat door zonlicht volledig is verbleekt of half achter een regenpijp hangt, voldoet niet aan het veiligheidsdoel. Veiligheidssignalering moet in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar aanwezig is, wat verboden is of welke handeling verplicht is. Dat is ook het uitgangspunt van de arboregelgeving.

ADR en CLP hebben ieder een eigen functie

Een belangrijk onderdeel van de nieuwe formulering is de combinatie van ADR- en CLP-symbolen. Deze twee systemen worden in bedrijven regelmatig met elkaar verward, terwijl ze niet precies hetzelfde doel hebben.

Het ADR richt zich op het vervoer van gevaarlijke goederen. De ADR-etiketten geven de vervoersklasse en daarmee het belangrijkste gevaar tijdens het vervoer aan. Voorbeelden zijn klasse 3 voor brandbare vloeistoffen, klasse 5.1 voor oxiderende stoffen, klasse 6.1 voor giftige stoffen en klasse 8 voor bijtende stoffen.

De CLP-verordening richt zich op de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels die op de Europese markt worden gebracht. De bekende rood omrande ruiten met onder meer een vlam, doodshoofd, uitroepteken of silhouet met stervormige borst worden gebruikt om fysische gevaren, gezondheidsgevaren en milieugevaren aan te duiden. De CLP-verordening bevat daarvoor verschillende gevarenklassen, criteria, H-zinnen en pictogrammen.

In veel gevallen beschrijven ADR en CLP hetzelfde hoofdgevaar. Een brandbare vloeistof kan bijvoorbeeld volgens het ADR zijn ingedeeld in klasse 3 en volgens CLP het vlampictogram GHS02 hebben. PGS 15 staat toe dat in zo’n situatie alleen het ADR-symbool wordt aangebracht. Het is dus niet noodzakelijk om naast iedere ADR-ruit ook automatisch het min of meer overeenkomstige CLP-pictogram te plaatsen.

Dat voorkomt een onnodige hoeveelheid symbolen bij de deur. Een wand vol pictogrammen kan namelijk net zo onduidelijk worden als een wand zonder signalering. Het uitgangspunt is niet dat zoveel mogelijk symbolen worden opgehangen, maar dat alle relevante gevaren herkenbaar worden weergegeven.

Anders wordt het wanneer een gevaar wel uit de CLP-classificatie blijkt, maar niet uit het ADR. Dat komt onder andere voor bij bepaalde CMR-stoffen. Een stof kan kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn, zonder dat deze stof als gevaarlijk goed voor het vervoer is ingedeeld. Er is dan geen ADR-etiket dat de chronische gezondheidseigenschap zichtbaar maakt. In dat geval moet het relevante CLP-symbool, veelal GHS08 voor ernstig gezondheidsgevaar, naast de ADR-symbolen worden aangebracht.

Ook andere CLP-gevaren kunnen aanvullend relevant zijn. Denk aan een mengsel dat schadelijk is bij inademing of huidcontact, maar door de concentratie en vervoerscriteria niet onder een overeenkomstige ADR-klasse valt. Alleen kijken naar de vervoersclassificatie in hoofdstuk 14 van het veiligheidsinformatieblad is daarom onvoldoende. Voor een goede beoordeling moeten in ieder geval de CLP-classificatie in rubriek 2 en de vervoersinformatie in rubriek 14 met elkaar worden vergeleken.

PGS 15 verwoordt dit door te bepalen dat ADR-symbolen mogen volstaan wanneer de CLP-pictogrammen betrekking hebben op dezelfde gevaren als de gevaren die door het vervoer­symbool worden weergegeven. Voor stoffen zonder overeenkomstig ADR-symbool blijven de CLP-pictogrammen noodzakelijk. De toelichting koppelt dit nadrukkelijk aan de bescherming van werknemers en de arbowetgeving.

Alleen een LQ-symbool is niet voldoende

Een veelvoorkomende misvatting is dat bij een opslag met voornamelijk gelimiteerde hoeveelheden kan worden volstaan met het LQ-symbool. PGS 15 maakt duidelijk dat dit niet voldoende is.

Het LQ-symbool geeft aan dat gevaarlijke goederen voor vervoer zijn verpakt volgens de regeling voor gelimiteerde hoeveelheden. Daardoor zijn bepaalde ADR-voorschriften geheel of gedeeltelijk niet van toepassing. Het LQ-symbool vertelt een hulpverlener echter niet of zich in de opslag brandbare vloeistoffen, giftige stoffen, oxiderende producten, spuitbussen of bijtende stoffen bevinden.

Een opslagplaats met honderden dozen LQ-goederen kan bij brand nog steeds aanzienlijke risico’s opleveren. Het feit dat de afzonderlijke binnenverpakkingen klein zijn, neemt de gezamenlijke brandbelasting, rookontwikkeling, toxiciteit of kans op gevaarlijke reacties niet weg. Voor de hulpdiensten is het daarom belangrijk om de werkelijke gevarenklassen te herkennen.

De signalering aan de buitenzijde moet dus worden gebaseerd op de gevaareigenschappen van de aanwezige producten. Een LQ-aanduiding mag eventueel aanvullend worden gebruikt, maar vervangt de vereiste ADR- en CLP-symbolen niet. Ook in PGS 15:2021 stond al dat uitsluitend een LQ-aanduiding ontoereikend was. In de versie van 2025 wordt dit uitgangspunt gehandhaafd en gecombineerd met de expliciete minimale afmetingen voor de ADR-symbolen.

Het bedrijf heeft daarbij volgens de toelichting twee mogelijkheden. De signalering kan worden afgestemd op alle gevaarlijke stoffen die volgens de melding of vergunning in de opslag aanwezig mogen zijn. Het voordeel daarvan is dat de borden niet voortdurend hoeven te worden aangepast wanneer de voorraad wisselt.

De andere mogelijkheid is de borden uitsluitend af te stemmen op de stoffen die op dat moment daadwerkelijk aanwezig zijn. Dat kan leiden tot een nauwkeuriger beeld, maar vraagt om een goed beheerd systeem. Zodra een nieuwe ADR-klasse of een nieuw CLP-gevaar in de opslag wordt geplaatst, moet ook de signalering worden aangepast. Dat betekent dat inkoop, ontvangst, magazijnbeheer en veiligheidsbeheer goed op elkaar moeten aansluiten.

Voor een distributiecentrum met een sterk wisselend assortiment is signalering op basis van de vergunde of gemelde maximale situatie meestal het meest praktisch. Voor een opslag waarin slechts enkele vaste productgroepen aanwezig zijn, kan signalering op basis van de feitelijke voorraad goed werken. In beide gevallen moet de gekozen werkwijze aantoonbaar worden beheerst.

Niet elke opslag hoeft één groot verzamelbord te krijgen

Bij een gesloten opslagmagazijn worden de pictogrammen doorgaans naast of boven de toegangsdeur geplaatst. Zijn er meerdere deuren waardoor de opslag kan worden betreden, dan moet bij iedere relevante toegangsdeur duidelijk zijn welke gevaren achter die deur aanwezig zijn. Alleen een bord aan de achterzijde van het gebouw is niet voldoende wanneer medewerkers en hulpverleners gewoonlijk via de voorzijde naderen.

Voor open opslagvoorzieningen biedt PGS 15 meer flexibiliteit. Wanneer verschillende stoffen in afzonderlijke vakken, clusters of secties zijn opgeslagen, mogen de bijbehorende gevaarsymbolen per vak, cluster of sectie worden aangebracht. Dat kan duidelijker zijn dan één verzamelbord waarop alle gevaren van de volledige opslagplaats door elkaar staan.

Een open gasflessenopslag kan bijvoorbeeld verschillende secties hebben voor brandbare, oxiderende, inerte en giftige gassen. Door de signalering per sectie aan te brengen, ziet een medewerker direct welk type gas in een bepaald deel thuishoort. De borden ondersteunen dan niet alleen de hulpverlening, maar ook de dagelijkse logistiek en het voorkomen van verkeerde plaatsing.

Dezelfde benadering kan worden toegepast in een open opslag met afzonderlijke vakken voor brandbare vloeistoffen, oxiderende stoffen en bijtende producten. Voorwaarde is dat de vakindeling duidelijk herkenbaar is en dat de signalering niet de indruk wekt dat een gevarensymbool alleen bij één pallet hoort terwijl het volledige vak dezelfde gevaren bevat. PGS 15 staat het aanbrengen van symbolen per vak, cluster of sectie uitdrukkelijk toe.

Het rook- en vuurverbod blijft altijd verplicht

Naast de ADR- en CLP-symbolen moet bij iedere opslagvoorziening het verbodsbord ‘Vuur, open vlam en roken verboden’ zijn aangebracht. Dit geldt dus niet uitsluitend bij opslag van ADR-klasse 3 of andere direct brandbare producten.

PGS 15 bepaalt daarnaast dat in de opslagvoorziening en binnen een afstand van twee meter daarvan niet mag worden gerookt en geen open vuur aanwezig mag zijn. Het verbod moet zichtbaar worden gemaakt met een pictogram volgens NEN-EN-ISO 7010 en NEN 3011.

Dit verbodsbord heeft een andere functie dan een gevarenpictogram. Een ADR- of CLP-symbool waarschuwt voor een eigenschap van de opgeslagen stof. Het verbodsbord schrijft gedrag voor: geen open vuur gebruiken, niet roken en geen ontstekingsbron introduceren. Beide soorten signalering zijn daarom nodig.

Bij brandveiligheidsopslagkasten kan het verbodssymbool soms al onderdeel zijn van de door de fabrikant aangebrachte kastmarkering. Bedrijven moeten controleren of deze markering nog leesbaar is en of de kastdeur niet is overgeschilderd, beplakt of beschadigd. Voor een kast die aan NEN-EN 14470-1 voldoet, behoren op de voorzijde onder meer de instructie om de deuren gesloten te houden, het rook- en vuurverbod, een waarschuwing voor brandgevaarlijke stoffen en informatie over de brandwerendheid te staan.

Wat is er ten opzichte van PGS 15:2021 veranderd?

De verplichting om bij een opslagvoorziening waarschuwingsborden te plaatsen is niet volledig nieuw. PGS 15:2021 schreef al voor dat bij de toegangsdeur duidelijk zichtbare borden moesten worden geplaatst die het gevaar van de opgeslagen gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen aangaven. Daarbij werd verwezen naar artikel 8.10 van de Arbeidsomstandighedenregeling.

In de versie van 2021 was echter geen concrete minimale afmeting van 20 cm bij 20 cm opgenomen. Ook werd niet zo expliciet uitgewerkt hoe ADR- en CLP-symbolen zich tot elkaar verhouden. PGS 15:2025 maakt dit veel duidelijker: ADR-symbolen vormen het uitgangspunt voor de gevaren die ook onder het vervoer vallen, terwijl voor aanvullende CLP-gevaren extra pictogrammen noodzakelijk kunnen zijn.

Opvallend is dat de wijzigingstabel van PGS 15 maatregel M135 beschrijft als een samenvoeging van de eerdere voorschriften 3.13.2 en 6.2.14. De maatregel wordt daardoor niet als geheel nieuwe maatregel gepresenteerd. De afmetingen staan echter wel voor het eerst zo concreet in de normatieve tekst. Voor bedrijven is dat voldoende reden om de bestaande borden opnieuw op te meten en te beoordelen.

M135 is niet afzonderlijk opgenomen in de tabel met implementatietermijnen voor bestaande situaties. In de inleiding bij die tabel staat dat maatregelen die alleen zijn samengevoegd en niet inhoudelijk zijn gewijzigd, niet apart in de implementatietabel zijn vermeld. Bedrijven moeten hieruit niet automatisch concluderen dat bestaande kleine pictogrammen onbeperkt kunnen blijven hangen. De nieuwe tekst beschrijft immers duidelijk welke uitvoering volgens de actuele PGS wordt verwacht.

Is PGS 15:2025 al rechtstreeks verplicht?

Bij het bespreken van PGS 15:2025 is een juridische nuance noodzakelijk. De meest actuele, definitief vastgestelde publicatie is PGS 15:2025 versie 1.1 van april 2026. In het actuele overzicht van het Informatiepunt Leefomgeving staat echter nog PGS 15 versie 1.0 van augustus 2021 als de versie die in de Omgevingsregeling is aangewezen. De meest actuele beschikbare versie en de formeel aangewezen versie zijn dus op dit moment niet hetzelfde.

Dat betekent dat niet zonder meer kan worden gesteld dat iedere bestaande opslagvoorziening op grond van de rechtstreeks werkende regels van het Besluit activiteiten leefomgeving onmiddellijk aan ieder detail van PGS 15:2025 moet voldoen. De precieze verplichting hangt onder meer af van de aard van de activiteit, de inhoud van de omgevingsvergunning en de versie van PGS 15 die daarin is voorgeschreven.

Voor vergunningplichtige opslagactiviteiten kunnen de maatregelen uit PGS 15 via de omgevingsvergunning worden voorgeschreven. Voor niet-vergunningplichtige activiteiten wijst het Bal een bepaalde versie van PGS 15 aan. Daarnaast speelt PGS 15 een rol als beschrijving van de stand van de techniek en als referentiekader voor arbeidsveiligheid, brandveiligheid, vergunningverlening en toezicht.

Een bedrijf doet er daarom verstandig aan niet uitsluitend te vragen: “Welke versie staat letterlijk in onze vergunning?” De betere vraag is: “Kunnen werknemers en hulpverleners bij onze opslagvoorziening onmiddellijk zien welke gevaren aanwezig zijn?” Wanneer naast de deur nog kleine, onduidelijke of onvolledige symbolen hangen, is vervanging meestal een eenvoudige en relatief goedkope veiligheidsverbetering.

De uitzondering voor tijdelijke opslag van niet-EU-goederen

PGS 15 bevat een bijzondere uitzondering voor de tijdelijke opslag van niet-EU-goederen die wachten op plaatsing onder een douaneregeling of op wederuitvoer. De specifieke eisen van M135 aan de ADR- en CLP-signalering zijn op die situatie niet van toepassing.

Deze uitzondering moet beperkt worden uitgelegd. Het gaat niet om iedere tijdelijke opslag of iedere goederenontvangst. De goederen moeten daadwerkelijk de douanestatus van niet-EU-goederen hebben en zich in de beschreven douanesituatie bevinden. Een gewone expeditieruimte met binnenlandse of reeds ingeklaarde goederen valt niet automatisch onder de uitzondering.

Voor niet-EU-goederen met CMR-eigenschappen of acuut toxische eigenschappen die niet onder het ADR vallen, noemt de toelichting bovendien een maximale tijdelijke opslagduur van 90 dagen. Het bedrijf moet de douanestatus en de verblijfsduur daarom aantoonbaar kunnen volgen.

Ook wanneer de formele uitzondering van toepassing is, blijft het verstandig om te beoordelen welke informatie werknemers en hulpverleners nodig hebben. Een douanestatus neemt het fysieke gevaar van een stof immers niet weg. Andere verplichtingen uit de arbeidsomstandighedenwetgeving, de risico-inventarisatie en -evaluatie en de algemene zorgplicht kunnen nog steeds aanleiding geven tot signalering of aanvullende instructies.

Zo kan een bedrijf de signalering praktisch aanpassen

De aanpassing hoeft geen groot project te worden, maar moet wel systematisch worden uitgevoerd. Begin met een inventarisatie van alle opslagvoorzieningen: magazijnen, buitenopslagen, gasflessenopslagen, tijdelijke opslagzones en brandveiligheidsopslagkasten. Noteer per voorziening welke deuren en aanlooproutes aanwezig zijn en welke borden daar nu hangen.

Vervolgens moeten de gevaarseigenschappen van de toegelaten producten worden bepaald. Gebruik daarvoor niet alleen het ADR-etiket op de verpakking. Vergelijk de CLP-classificatie in rubriek 2 met de vervoersinformatie in rubriek 14 van het veiligheidsinformatieblad. Let daarbij speciaal op CMR-eigenschappen en andere CLP-gevaren zonder overeenkomstige ADR-classificatie. Veiligheidsinformatiebladen bevatten informatie over onder meer gevaren, samenstelling, veilig gebruik, transport en afvoer en vormen daarom een belangrijke bron voor deze controle.

Daarna kan per opslagvoorziening een signaleringsplan worden opgesteld. Daarin staat welke ADR-symbolen van minimaal 20 cm bij 20 cm nodig zijn, welke aanvullende CLP-symbolen moeten worden geplaatst en waar het rook- en vuurverbod wordt aangebracht. Voor opslagkasten wordt dezelfde beoordeling uitgevoerd, maar mogen de ADR-symbolen minimaal 10 cm bij 10 cm zijn.

Controleer bij plaatsing of de borden vanuit de normale aanlooprichting zichtbaar zijn. Houd rekening met geopende deuren, geparkeerde voertuigen, containers, begroeiing, verlichting en weersinvloeden. Een bord dat alleen zichtbaar is wanneer iemand al in de gevarenzone staat, bereikt zijn doel te laat.

Tot slot moet het beheer worden geregeld. Iemand moet verantwoordelijk zijn voor de periodieke controle en voor aanpassing wanneer het assortiment, de vergunning of de indeling van het magazijn verandert. Neem de signalering bijvoorbeeld op in de periodieke PGS 15-inspectie. Controleer dan niet alleen of het bord aanwezig is, maar ook of de afgebeelde gevaren nog overeenkomen met de toegelaten en aanwezige stoffen.

Kleine maatregel, groot effect

Het vervangen van een paar kleine gevaarsymbolen lijkt misschien een ondergeschikt onderdeel van PGS 15. Toch raakt deze maatregel rechtstreeks aan de veiligheid van werknemers, bezoekers en hulpverleners. Bij rookontwikkeling, lekkage of brand moet binnen enkele seconden duidelijk zijn of men te maken heeft met brandbare vloeistoffen, oxiderende producten, giftige stoffen, corrosieve stoffen, gassen of stoffen met ernstige gezondheidseffecten.

PGS 15:2025 brengt daarom meer uniformiteit aan. Voor reguliere opslagvoorzieningen geldt voortaan als duidelijk uitgangspunt dat ieder ADR-symbool minimaal 20 cm bij 20 cm groot is. Bij brandveiligheidsopslagkasten geldt minimaal 10 cm bij 10 cm. ADR-symbolen mogen overeenkomstige CLP-pictogrammen vervangen, maar CLP-gevaren zonder passend ADR-symbool moeten aanvullend zichtbaar worden gemaakt. Alleen een LQ-aanduiding is niet voldoende en het verbodsbord voor vuur, open vlam en roken blijft bij iedere opslagvoorziening noodzakelijk.

De belangrijkste stap voor bedrijven is dan ook eenvoudig: loop langs alle opslagvoorzieningen, meet de bestaande symbolen op en vergelijk de borden met de daadwerkelijke ADR- en CLP-classificaties. Juist omdat de aanpassing relatief eenvoudig is, bestaat er weinig reden om te wachten tot een toezichthouder of veiligheidsregio op een te klein, verouderd of onvolledig bord wijst.

Op zoek naar deskundig advies? Neem contact met ons op via info@pgs15-advies.nl of hier.