PGS 15:2025 vraagt om een nieuw formaat gevaarsetiketten

Wie door een magazijn met gevaarlijke stoffen loopt, ziet meestal verschillende soorten signalering naast elkaar. Op verpakkingen staan CLP-pictogrammen, op transportverpakkingen ADR-etiketten en bij de toegangsdeur hangt vaak een waarschuwingsbord met één of meer gevaarsymbolen. In de praktijk zijn die borden niet altijd even consequent uitgevoerd. Soms zijn ze klein, soms vervaagd en soms staat alleen het zwart-witte LQ-symbool bij de ingang. Ook komt het voor dat een bedrijf uitsluitend het algemene gele waarschuwingsbord voor gevaarlijke stoffen gebruikt, terwijl in de opslag stoffen met zeer uiteenlopende eigenschappen aanwezig zijn.

Met PGS 15:2025 wordt de gewenste veiligheidssignalering aan de buitenzijde van opslagvoorzieningen veel concreter omschreven. Vooral de minimale afmeting van de ADR-symbolen valt daarbij op. Bij een reguliere opslagvoorziening moeten de symbolen minimaal 20 cm bij 20 cm groot zijn. Voor een brandveiligheidsopslagkast geldt een minimale afmeting van 10 cm bij 10 cm. Daarmee wordt een einde gemaakt aan de discussie of een klein ADR-etiket naast de deur voldoende zichtbaar is.

Strikt genomen verandert PGS 15 niet het formaat van de etiketten op de verpakkingen. Het gaat om waarschuwingsborden aan de buitenzijde van de opslagvoorziening. Toch zal men in de praktijk vaak spreken over grotere gevaarsetiketten. Het zijn immers de bekende ADR-ruitvormige symbolen die aan de buitenzijde van de opslag moeten worden aangebracht.

De nieuwste gepubliceerde versie is inmiddels PGS 15:2025 versie 1.1 van april 2026. Deze versie is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde versie 1.0 van januari 2025. In versie 1.1 is vooral het interactieve risicodiagram toegevoegd en zijn enkele koppelingen tussen scenario’s, doelen en maatregelen hersteld. De inhoudelijke eisen aan de veiligheidssignalering zijn niet gewijzigd.

Het waarschuwingsbord moet het werkelijke gevaar laten zien

Maatregel M135 van PGS 15:2025 gaat over de veiligheidssignalering. De kern daarvan is dat aan de buitenzijde van een opslagvoorziening, in de buurt van de toegangsdeur of toegangsdeuren, duidelijk zichtbare waarschuwingsborden moeten zijn aangebracht. Die borden moeten aangeven welke gevaren door de opgeslagen stoffen kunnen worden veroorzaakt. Daarbij gaat het niet alleen om stoffen die volgens het ADR als gevaarlijke goederen zijn ingedeeld, maar ook om relevante CMR- en andere CLP-stoffen.

De gedachte hierachter is eenvoudig. Een medewerker, onderhoudsmonteur, toezichthouder of brandweerman moet vóór het betreden van de opslag kunnen zien met welke gevaren rekening moet worden gehouden. Bij een calamiteit is er geen tijd om eerst veiligheidsinformatiebladen op te zoeken of het volledige stoffenjournaal door te nemen. De signalering bij de ingang geeft de eerste, direct herkenbare waarschuwing.

De ADR-symbolen op een reguliere opslagvoorziening moeten volgens M135 minimaal 20 cm bij 20 cm meten. Het gaat daarbij om de afmeting van ieder afzonderlijk ADR-symbool en niet uitsluitend om de totale afmeting van een verzamelbord waarop meerdere symbolen zijn afgebeeld. Een bord met vier gevarenruitjes van ieder slechts enkele centimeters groot voldoet dus niet aan de bedoeling van de maatregel, ook al is het complete bord groter dan 20 cm.

Voor brandveiligheidsopslagkasten is een kleinere maat toegestaan. Daar mogen de ADR-symbolen minimaal 10 cm bij 10 cm zijn. Dat sluit beter aan bij de beschikbare ruimte op de deur of voorzijde van een opslagkast. De symbolen moeten echter ook daar goed zichtbaar blijven. Ze mogen niet worden verstopt achter een geopende deur, een rolcontainer, een werktafel of opgeslagen materialen.

Het is verstandig om niet alleen naar de afmeting te kijken. Ook contrast, beschadiging, weersbestendigheid, verlichting en de positie ten opzichte van de aanlooproute zijn van belang. Een bord van 20 cm bij 20 cm dat door zonlicht volledig is verbleekt of half achter een regenpijp hangt, voldoet niet aan het veiligheidsdoel. Veiligheidssignalering moet in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar aanwezig is, wat verboden is of welke handeling verplicht is. Dat is ook het uitgangspunt van de arboregelgeving.

ADR en CLP hebben ieder een eigen functie

Een belangrijk onderdeel van de nieuwe formulering is de combinatie van ADR- en CLP-symbolen. Deze twee systemen worden in bedrijven regelmatig met elkaar verward, terwijl ze niet precies hetzelfde doel hebben.

Het ADR richt zich op het vervoer van gevaarlijke goederen. De ADR-etiketten geven de vervoersklasse en daarmee het belangrijkste gevaar tijdens het vervoer aan. Voorbeelden zijn klasse 3 voor brandbare vloeistoffen, klasse 5.1 voor oxiderende stoffen, klasse 6.1 voor giftige stoffen en klasse 8 voor bijtende stoffen.

De CLP-verordening richt zich op de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels die op de Europese markt worden gebracht. De bekende rood omrande ruiten met onder meer een vlam, doodshoofd, uitroepteken of silhouet met stervormige borst worden gebruikt om fysische gevaren, gezondheidsgevaren en milieugevaren aan te duiden. De CLP-verordening bevat daarvoor verschillende gevarenklassen, criteria, H-zinnen en pictogrammen.

In veel gevallen beschrijven ADR en CLP hetzelfde hoofdgevaar. Een brandbare vloeistof kan bijvoorbeeld volgens het ADR zijn ingedeeld in klasse 3 en volgens CLP het vlampictogram GHS02 hebben. PGS 15 staat toe dat in zo’n situatie alleen het ADR-symbool wordt aangebracht. Het is dus niet noodzakelijk om naast iedere ADR-ruit ook automatisch het min of meer overeenkomstige CLP-pictogram te plaatsen.

Dat voorkomt een onnodige hoeveelheid symbolen bij de deur. Een wand vol pictogrammen kan namelijk net zo onduidelijk worden als een wand zonder signalering. Het uitgangspunt is niet dat zoveel mogelijk symbolen worden opgehangen, maar dat alle relevante gevaren herkenbaar worden weergegeven.

Anders wordt het wanneer een gevaar wel uit de CLP-classificatie blijkt, maar niet uit het ADR. Dat komt onder andere voor bij bepaalde CMR-stoffen. Een stof kan kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn, zonder dat deze stof als gevaarlijk goed voor het vervoer is ingedeeld. Er is dan geen ADR-etiket dat de chronische gezondheidseigenschap zichtbaar maakt. In dat geval moet het relevante CLP-symbool, veelal GHS08 voor ernstig gezondheidsgevaar, naast de ADR-symbolen worden aangebracht.

Ook andere CLP-gevaren kunnen aanvullend relevant zijn. Denk aan een mengsel dat schadelijk is bij inademing of huidcontact, maar door de concentratie en vervoerscriteria niet onder een overeenkomstige ADR-klasse valt. Alleen kijken naar de vervoersclassificatie in hoofdstuk 14 van het veiligheidsinformatieblad is daarom onvoldoende. Voor een goede beoordeling moeten in ieder geval de CLP-classificatie in rubriek 2 en de vervoersinformatie in rubriek 14 met elkaar worden vergeleken.

PGS 15 verwoordt dit door te bepalen dat ADR-symbolen mogen volstaan wanneer de CLP-pictogrammen betrekking hebben op dezelfde gevaren als de gevaren die door het vervoer­symbool worden weergegeven. Voor stoffen zonder overeenkomstig ADR-symbool blijven de CLP-pictogrammen noodzakelijk. De toelichting koppelt dit nadrukkelijk aan de bescherming van werknemers en de arbowetgeving.

Alleen een LQ-symbool is niet voldoende

Een veelvoorkomende misvatting is dat bij een opslag met voornamelijk gelimiteerde hoeveelheden kan worden volstaan met het LQ-symbool. PGS 15 maakt duidelijk dat dit niet voldoende is.

Het LQ-symbool geeft aan dat gevaarlijke goederen voor vervoer zijn verpakt volgens de regeling voor gelimiteerde hoeveelheden. Daardoor zijn bepaalde ADR-voorschriften geheel of gedeeltelijk niet van toepassing. Het LQ-symbool vertelt een hulpverlener echter niet of zich in de opslag brandbare vloeistoffen, giftige stoffen, oxiderende producten, spuitbussen of bijtende stoffen bevinden.

Een opslagplaats met honderden dozen LQ-goederen kan bij brand nog steeds aanzienlijke risico’s opleveren. Het feit dat de afzonderlijke binnenverpakkingen klein zijn, neemt de gezamenlijke brandbelasting, rookontwikkeling, toxiciteit of kans op gevaarlijke reacties niet weg. Voor de hulpdiensten is het daarom belangrijk om de werkelijke gevarenklassen te herkennen.

De signalering aan de buitenzijde moet dus worden gebaseerd op de gevaareigenschappen van de aanwezige producten. Een LQ-aanduiding mag eventueel aanvullend worden gebruikt, maar vervangt de vereiste ADR- en CLP-symbolen niet. Ook in PGS 15:2021 stond al dat uitsluitend een LQ-aanduiding ontoereikend was. In de versie van 2025 wordt dit uitgangspunt gehandhaafd en gecombineerd met de expliciete minimale afmetingen voor de ADR-symbolen.

Het bedrijf heeft daarbij volgens de toelichting twee mogelijkheden. De signalering kan worden afgestemd op alle gevaarlijke stoffen die volgens de melding of vergunning in de opslag aanwezig mogen zijn. Het voordeel daarvan is dat de borden niet voortdurend hoeven te worden aangepast wanneer de voorraad wisselt.

De andere mogelijkheid is de borden uitsluitend af te stemmen op de stoffen die op dat moment daadwerkelijk aanwezig zijn. Dat kan leiden tot een nauwkeuriger beeld, maar vraagt om een goed beheerd systeem. Zodra een nieuwe ADR-klasse of een nieuw CLP-gevaar in de opslag wordt geplaatst, moet ook de signalering worden aangepast. Dat betekent dat inkoop, ontvangst, magazijnbeheer en veiligheidsbeheer goed op elkaar moeten aansluiten.

Voor een distributiecentrum met een sterk wisselend assortiment is signalering op basis van de vergunde of gemelde maximale situatie meestal het meest praktisch. Voor een opslag waarin slechts enkele vaste productgroepen aanwezig zijn, kan signalering op basis van de feitelijke voorraad goed werken. In beide gevallen moet de gekozen werkwijze aantoonbaar worden beheerst.

Niet elke opslag hoeft één groot verzamelbord te krijgen

Bij een gesloten opslagmagazijn worden de pictogrammen doorgaans naast of boven de toegangsdeur geplaatst. Zijn er meerdere deuren waardoor de opslag kan worden betreden, dan moet bij iedere relevante toegangsdeur duidelijk zijn welke gevaren achter die deur aanwezig zijn. Alleen een bord aan de achterzijde van het gebouw is niet voldoende wanneer medewerkers en hulpverleners gewoonlijk via de voorzijde naderen.

Voor open opslagvoorzieningen biedt PGS 15 meer flexibiliteit. Wanneer verschillende stoffen in afzonderlijke vakken, clusters of secties zijn opgeslagen, mogen de bijbehorende gevaarsymbolen per vak, cluster of sectie worden aangebracht. Dat kan duidelijker zijn dan één verzamelbord waarop alle gevaren van de volledige opslagplaats door elkaar staan.

Een open gasflessenopslag kan bijvoorbeeld verschillende secties hebben voor brandbare, oxiderende, inerte en giftige gassen. Door de signalering per sectie aan te brengen, ziet een medewerker direct welk type gas in een bepaald deel thuishoort. De borden ondersteunen dan niet alleen de hulpverlening, maar ook de dagelijkse logistiek en het voorkomen van verkeerde plaatsing.

Dezelfde benadering kan worden toegepast in een open opslag met afzonderlijke vakken voor brandbare vloeistoffen, oxiderende stoffen en bijtende producten. Voorwaarde is dat de vakindeling duidelijk herkenbaar is en dat de signalering niet de indruk wekt dat een gevarensymbool alleen bij één pallet hoort terwijl het volledige vak dezelfde gevaren bevat. PGS 15 staat het aanbrengen van symbolen per vak, cluster of sectie uitdrukkelijk toe.

Het rook- en vuurverbod blijft altijd verplicht

Naast de ADR- en CLP-symbolen moet bij iedere opslagvoorziening het verbodsbord ‘Vuur, open vlam en roken verboden’ zijn aangebracht. Dit geldt dus niet uitsluitend bij opslag van ADR-klasse 3 of andere direct brandbare producten.

PGS 15 bepaalt daarnaast dat in de opslagvoorziening en binnen een afstand van twee meter daarvan niet mag worden gerookt en geen open vuur aanwezig mag zijn. Het verbod moet zichtbaar worden gemaakt met een pictogram volgens NEN-EN-ISO 7010 en NEN 3011.

Dit verbodsbord heeft een andere functie dan een gevarenpictogram. Een ADR- of CLP-symbool waarschuwt voor een eigenschap van de opgeslagen stof. Het verbodsbord schrijft gedrag voor: geen open vuur gebruiken, niet roken en geen ontstekingsbron introduceren. Beide soorten signalering zijn daarom nodig.

Bij brandveiligheidsopslagkasten kan het verbodssymbool soms al onderdeel zijn van de door de fabrikant aangebrachte kastmarkering. Bedrijven moeten controleren of deze markering nog leesbaar is en of de kastdeur niet is overgeschilderd, beplakt of beschadigd. Voor een kast die aan NEN-EN 14470-1 voldoet, behoren op de voorzijde onder meer de instructie om de deuren gesloten te houden, het rook- en vuurverbod, een waarschuwing voor brandgevaarlijke stoffen en informatie over de brandwerendheid te staan.

Wat is er ten opzichte van PGS 15:2021 veranderd?

De verplichting om bij een opslagvoorziening waarschuwingsborden te plaatsen is niet volledig nieuw. PGS 15:2021 schreef al voor dat bij de toegangsdeur duidelijk zichtbare borden moesten worden geplaatst die het gevaar van de opgeslagen gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen aangaven. Daarbij werd verwezen naar artikel 8.10 van de Arbeidsomstandighedenregeling.

In de versie van 2021 was echter geen concrete minimale afmeting van 20 cm bij 20 cm opgenomen. Ook werd niet zo expliciet uitgewerkt hoe ADR- en CLP-symbolen zich tot elkaar verhouden. PGS 15:2025 maakt dit veel duidelijker: ADR-symbolen vormen het uitgangspunt voor de gevaren die ook onder het vervoer vallen, terwijl voor aanvullende CLP-gevaren extra pictogrammen noodzakelijk kunnen zijn.

Opvallend is dat de wijzigingstabel van PGS 15 maatregel M135 beschrijft als een samenvoeging van de eerdere voorschriften 3.13.2 en 6.2.14. De maatregel wordt daardoor niet als geheel nieuwe maatregel gepresenteerd. De afmetingen staan echter wel voor het eerst zo concreet in de normatieve tekst. Voor bedrijven is dat voldoende reden om de bestaande borden opnieuw op te meten en te beoordelen.

M135 is niet afzonderlijk opgenomen in de tabel met implementatietermijnen voor bestaande situaties. In de inleiding bij die tabel staat dat maatregelen die alleen zijn samengevoegd en niet inhoudelijk zijn gewijzigd, niet apart in de implementatietabel zijn vermeld. Bedrijven moeten hieruit niet automatisch concluderen dat bestaande kleine pictogrammen onbeperkt kunnen blijven hangen. De nieuwe tekst beschrijft immers duidelijk welke uitvoering volgens de actuele PGS wordt verwacht.

Is PGS 15:2025 al rechtstreeks verplicht?

Bij het bespreken van PGS 15:2025 is een juridische nuance noodzakelijk. De meest actuele, definitief vastgestelde publicatie is PGS 15:2025 versie 1.1 van april 2026. In het actuele overzicht van het Informatiepunt Leefomgeving staat echter nog PGS 15 versie 1.0 van augustus 2021 als de versie die in de Omgevingsregeling is aangewezen. De meest actuele beschikbare versie en de formeel aangewezen versie zijn dus op dit moment niet hetzelfde.

Dat betekent dat niet zonder meer kan worden gesteld dat iedere bestaande opslagvoorziening op grond van de rechtstreeks werkende regels van het Besluit activiteiten leefomgeving onmiddellijk aan ieder detail van PGS 15:2025 moet voldoen. De precieze verplichting hangt onder meer af van de aard van de activiteit, de inhoud van de omgevingsvergunning en de versie van PGS 15 die daarin is voorgeschreven.

Voor vergunningplichtige opslagactiviteiten kunnen de maatregelen uit PGS 15 via de omgevingsvergunning worden voorgeschreven. Voor niet-vergunningplichtige activiteiten wijst het Bal een bepaalde versie van PGS 15 aan. Daarnaast speelt PGS 15 een rol als beschrijving van de stand van de techniek en als referentiekader voor arbeidsveiligheid, brandveiligheid, vergunningverlening en toezicht.

Een bedrijf doet er daarom verstandig aan niet uitsluitend te vragen: “Welke versie staat letterlijk in onze vergunning?” De betere vraag is: “Kunnen werknemers en hulpverleners bij onze opslagvoorziening onmiddellijk zien welke gevaren aanwezig zijn?” Wanneer naast de deur nog kleine, onduidelijke of onvolledige symbolen hangen, is vervanging meestal een eenvoudige en relatief goedkope veiligheidsverbetering.

De uitzondering voor tijdelijke opslag van niet-EU-goederen

PGS 15 bevat een bijzondere uitzondering voor de tijdelijke opslag van niet-EU-goederen die wachten op plaatsing onder een douaneregeling of op wederuitvoer. De specifieke eisen van M135 aan de ADR- en CLP-signalering zijn op die situatie niet van toepassing.

Deze uitzondering moet beperkt worden uitgelegd. Het gaat niet om iedere tijdelijke opslag of iedere goederenontvangst. De goederen moeten daadwerkelijk de douanestatus van niet-EU-goederen hebben en zich in de beschreven douanesituatie bevinden. Een gewone expeditieruimte met binnenlandse of reeds ingeklaarde goederen valt niet automatisch onder de uitzondering.

Voor niet-EU-goederen met CMR-eigenschappen of acuut toxische eigenschappen die niet onder het ADR vallen, noemt de toelichting bovendien een maximale tijdelijke opslagduur van 90 dagen. Het bedrijf moet de douanestatus en de verblijfsduur daarom aantoonbaar kunnen volgen.

Ook wanneer de formele uitzondering van toepassing is, blijft het verstandig om te beoordelen welke informatie werknemers en hulpverleners nodig hebben. Een douanestatus neemt het fysieke gevaar van een stof immers niet weg. Andere verplichtingen uit de arbeidsomstandighedenwetgeving, de risico-inventarisatie en -evaluatie en de algemene zorgplicht kunnen nog steeds aanleiding geven tot signalering of aanvullende instructies.

Zo kan een bedrijf de signalering praktisch aanpassen

De aanpassing hoeft geen groot project te worden, maar moet wel systematisch worden uitgevoerd. Begin met een inventarisatie van alle opslagvoorzieningen: magazijnen, buitenopslagen, gasflessenopslagen, tijdelijke opslagzones en brandveiligheidsopslagkasten. Noteer per voorziening welke deuren en aanlooproutes aanwezig zijn en welke borden daar nu hangen.

Vervolgens moeten de gevaarseigenschappen van de toegelaten producten worden bepaald. Gebruik daarvoor niet alleen het ADR-etiket op de verpakking. Vergelijk de CLP-classificatie in rubriek 2 met de vervoersinformatie in rubriek 14 van het veiligheidsinformatieblad. Let daarbij speciaal op CMR-eigenschappen en andere CLP-gevaren zonder overeenkomstige ADR-classificatie. Veiligheidsinformatiebladen bevatten informatie over onder meer gevaren, samenstelling, veilig gebruik, transport en afvoer en vormen daarom een belangrijke bron voor deze controle.

Daarna kan per opslagvoorziening een signaleringsplan worden opgesteld. Daarin staat welke ADR-symbolen van minimaal 20 cm bij 20 cm nodig zijn, welke aanvullende CLP-symbolen moeten worden geplaatst en waar het rook- en vuurverbod wordt aangebracht. Voor opslagkasten wordt dezelfde beoordeling uitgevoerd, maar mogen de ADR-symbolen minimaal 10 cm bij 10 cm zijn.

Controleer bij plaatsing of de borden vanuit de normale aanlooprichting zichtbaar zijn. Houd rekening met geopende deuren, geparkeerde voertuigen, containers, begroeiing, verlichting en weersinvloeden. Een bord dat alleen zichtbaar is wanneer iemand al in de gevarenzone staat, bereikt zijn doel te laat.

Tot slot moet het beheer worden geregeld. Iemand moet verantwoordelijk zijn voor de periodieke controle en voor aanpassing wanneer het assortiment, de vergunning of de indeling van het magazijn verandert. Neem de signalering bijvoorbeeld op in de periodieke PGS 15-inspectie. Controleer dan niet alleen of het bord aanwezig is, maar ook of de afgebeelde gevaren nog overeenkomen met de toegelaten en aanwezige stoffen.

Kleine maatregel, groot effect

Het vervangen van een paar kleine gevaarsymbolen lijkt misschien een ondergeschikt onderdeel van PGS 15. Toch raakt deze maatregel rechtstreeks aan de veiligheid van werknemers, bezoekers en hulpverleners. Bij rookontwikkeling, lekkage of brand moet binnen enkele seconden duidelijk zijn of men te maken heeft met brandbare vloeistoffen, oxiderende producten, giftige stoffen, corrosieve stoffen, gassen of stoffen met ernstige gezondheidseffecten.

PGS 15:2025 brengt daarom meer uniformiteit aan. Voor reguliere opslagvoorzieningen geldt voortaan als duidelijk uitgangspunt dat ieder ADR-symbool minimaal 20 cm bij 20 cm groot is. Bij brandveiligheidsopslagkasten geldt minimaal 10 cm bij 10 cm. ADR-symbolen mogen overeenkomstige CLP-pictogrammen vervangen, maar CLP-gevaren zonder passend ADR-symbool moeten aanvullend zichtbaar worden gemaakt. Alleen een LQ-aanduiding is niet voldoende en het verbodsbord voor vuur, open vlam en roken blijft bij iedere opslagvoorziening noodzakelijk.

De belangrijkste stap voor bedrijven is dan ook eenvoudig: loop langs alle opslagvoorzieningen, meet de bestaande symbolen op en vergelijk de borden met de daadwerkelijke ADR- en CLP-classificaties. Juist omdat de aanpassing relatief eenvoudig is, bestaat er weinig reden om te wachten tot een toezichthouder of veiligheidsregio op een te klein, verouderd of onvolledig bord wijst.

Op zoek naar deskundig advies? Neem contact met ons op via info@pgs15-advies.nl of hier.

Afstanden tussen stellingen en veiligheid in het concept van de PGS15

In het concept van de PGS15 zijn maatregelen opgenomen voor de veiligheid tussen de stellingen. Tussen opslagvakken en stellingen moet zo voldoende manoeuvreerruimte vrijgehouden worden voor de toegepaste transportmiddelen. Als PGS15 adviseur vertellen we u graag alvast meer.

Een stelling moet zonodig tegen aanrijden zijn beveiligd. Vrijstaande, afdoende aanrijdbeschermers zijn dan vereist op hoeken van stellinggangen en -onderdoorgangen. Maatregel 74 geeft aan dat indien in een magazijn geen bewegingen met een heftruck plaatsvinden, beveiligingen niet nodig zijn. In magazijnen waar wel bewegingen plaatsvinden, kan een stelling nooit volledig tegen aanrijdingen worden beveiligd. Immers, men zal altijd pallets moeten kunnen afzetten en uitnemen. De kans op aanrijdingen zal klein zijn bij toepassing van een lay-out en stellingconfiguratie conform NEN-EN 15620 en met goed opgeleide en geïnstrueerde heftruckchauffeurs.

In afwijking op M74 is een aanrijdbeveiling niet noodzakelijk bij toepassing van (semi) geautomatiseerde magazijnsystemen, wanneer deze aan de volgende eisen voldoen:

  • er moet softwarematig geborgd zijn dat aanrijding of beschadiging van de verpakkingen niet kan plaatsvinden;
  • in de nabijheid van de stellingen vinden geen andere voertuigbewegingen plaats als met het (semi-)geautomatiseerde systeem;
  • het systeem wordt voldoende onderhouden;
  • het systeem is failsafe uitgevoerd.

Wanneer tijdens het gebruik van een stelling een stellingonderdeel blijvend is vervormd, moeten volgens maatregel 78 onmiddellijk passende maatregelen worden genomen. Voordat de stelling opnieuw in gebruik wordt genomen, moeten beschadigde onderdelen worden vervangen of gerepareerd. Vervolgens moet de stelling (na reparatie) worden beoordeeld volgens M79.

Ter illustratie worden twee passende maatregelen aangehaald:

  • indien een ligger is beschadigd, behoort deze onmiddellijk vrij te worden gemaakt van opslag;
  • indien een staander of een staaf van het jukvakwerk is beschadigd, behoren de liggers aan weerszijden van de staander onmiddellijk vrij van opslag te worden gemaakt.

De stellingconstructie moet ten minste jaarlijks visueel op doelmatigheid, juist gebruik en eventuele beschadigingen worden geïnspecteerd. De resultaten van de inspectie moeten worden geregistreerd en minimaal vijf jaar worden bewaard.

Bent u op zoek naar deskundig advies van een PGS15 adviseur? Neem contact op.

Is onze kleine opslag gevaarlijke stoffen ook werkvoorraad?

Met een vraagstelling wordt niet altijd duidelijk wat bedoeld wordt. Wanneer de ondergrens van de PGS15 bereikt wordt en de PGS15 van toepassing is dan dient opslag plaats te vinden in een PGS15 opslagvoorziening. De uitzondering daarop is de werkvoorraad. Hoewel er in een magazijn ook gewerkt wordt vormt dit geen wekvoorraad. Onder een werkvoorraad verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen wordt volgens de PGS15 verstaan: de voorraad verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een productieruimte/werkruimte of per procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld.

Hierbij gelden een aantal voorwaarden: − de werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn; − per gevaarlijke stof mag (voor iedere werkvoorraad) ten hoogste één aangebroken verpakkingseenheid aanwezig zijn, plus één reserve. Indien een dagvoorraad uit meer dan één verpakkingseenheid bestaat, dan mag er een dagvoorraad staan plus één reserve verpakkingseenheid; − de werkvoorraad mag zich niet bevinden in een rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen; − de werkvoorraad mag het vluchten niet belemmeren; − gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die als werkvoorraad in een productie- of werkruimte of nabij een procesinstallatie aanwezig zijn, moeten worden bewaard in deugdelijke verpakking die bestand is tegen de desbetreffende gevaarlijke stof; − indien de werkvoorraad bestaat uit een hoeveelheid van meer dan 50 l brandbare vloeistoffen van ADR-klasse 3, dan moet de verpakking zijn geplaatst boven een lekbak of een gelijkwaardige voorziening

De werkvoorraad zoals opgenomen in de PGS15 moet zodanig zijn dat de productie normaal doorgang kan vinden. Het is echter niet de bedoeling dat meerdere niet-geopende eenheden onnodig dagenlang of zelfs wekenlang in een werkruimte of buiten de PGS15 verblijven. Dan is er sprake van ‘verkapte opslag’. Deze eenheden behoren dan te worden bewaard in een opslagruimte. Waar exact de grens ligt, is moeilijk aan te geven. Het is aan het bedrijf om aannemelijk te maken dat de verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen binnen een redelijke tijd daadwerkelijk zullen worden gebruikt in het productieproces. De werkvoorraad hoeft niet aan het eind van elke dag te worden overgebracht naar een opslagruimte (en vice versa aan het begin van een werkdag): de risico’s van transport zijn groter dan van de stationaire werkvoorraad. Bij batchgewijze productie en bij volcontinu-bedrijven behoort per situatie te worden beoordeeld wat vereist is voor een goede procesvoering

Ook een vraag over de PGS15. Onze PGS15 adviseur(s) is u graag van dienst: PGS15 advies

Of bent u op zoek naar een PGS15 op en inschrijving of PGS15 E-learning?

Veilig vluchten uit een PGS15 opslag

De volgende aandachtspunten zijn belangrijk om op tijd te kunnen vluchten:

  • Benodigde vluchttijd
  • Obstakels op de vluchtroute
  • Zichtbaarheid van de vluchtroute
  • Werken op hoogte
  • Instructie in het gebruik van de uitstelknop
  • Overcapaciteit van het systeem

 

Benodigde vluchttijd

De tijd tussen het afgaan van het vluchtalarm en het moment dat het blussysteem begint met de blussing is meestal 30 seconden. Dit kan echter verschillen per installatie. Veel blusinstallaties zijn zo ontworpen dat het blusmiddel binnen een paar minuten de ruimte geheel gevuld heeft. In deze vluchttijd moeten aanwezige personen onder alle voorziene omstandigheden de ruimte kunnen verlaten.

 

Obstakels op de vluchtroute

Pallets of grotere objecten worden in verband met ruimtegebrek nog al eens in gangpaden en looproutes geplaatst. Hierdoor kan de vluchtroute langer worden of is de vluchtroute niet meer duidelijk, doordat vluchtborden niet meer zichtbaar zijn. Het is daarnaast ook belangrijk dat brandblussystemen ontworpen worden op de uiteindelijke indeling van de ruimte. Als achteraf aanpassingen worden gedaan in de ruimte, bijvoorbeeld wanneer stellingen worden (bij)geplaatst, kan dit van invloed zijn op de mogelijke vluchtroutes en daarmee de benodigde vluchttijd. Wanneer toch nog mensen aanwezig zijn in de ruimte en het brandblussysteem begint met het inzetten van het (schuim)blusmiddel kan dit een vluchtroute blokkeren wanneer de opening hiervan geplaatst is boven een vluchtroute. Door de enorme stuwkracht van het blusmiddel en het verminderde zicht wordt het vluchten daardoor nagenoeg onmogelijk.

 

Zichtbaarheid van de vluchtroute

Wanneer vluchtroutes niet of moeilijk te onderscheiden zijn van stellingvakken of vergelijkbare opstellingen is het voor werknemers niet duidelijk waar ze heen moeten vluchten. Markering en signalering van vluchtmogelijkheden is daarom van belang. Ook training en regelmatig oefenen zorgt ervoor dat personen weten hoe te handelen in geval van een alarmering.

 

Werken op hoogte

Wanneer werknemers via trappen of ladders op hoogte of op een ander niveau werken kost het extra tijd voordat ze bij een nooduitgang kunnen zijn. Werknemers die met de heftruck omhoog gaan, een zogenaamde man-up (reach)heftruck, zullen extra tijd nodig hebben om af te kunnen dalen en te kunnen vluchten. (bron: CLM)

 

Op zoek naar PGS15 advies?

De noodzaak van een werkvergunning systeem in de PGS15 opslag

Veel incidenten in de PGS15 opslag doen zich voor tijdens of als gevolg van onderhoudswerkzaamheden en reparaties. De arbowet vereist dat arbeidsmiddelen in een veilige staat worden gehouden. Alleen personeel dat voldoende gekwalificeerd en geautoriseerd is en de gevaren volledig begrijpt, mag inspecties en onderhoud uitvoeren. Als u externe aannemers gebruikt om dit werk uit te voeren, moet u ervoor zorgen dat ze bekwaam zijn om het vereiste werk uit te voeren. Ook in de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS15) is een werkvergunningssysteem vereist.

In de meeste gevallen moet een werkvergunningssysteem worden gebruikt om die onderhoudswerkzaamheden te controleren die een ontstekingsbron vormen of schade aan de verpakkingen kunnen veroorzaken. Werkvergunningen zijn formele managementdocumenten. Alleen degenen met duidelijk toegewezen bevoegdheden mogen ze afgeven. In de werkvergunning staat aan welke eisen moet worden voldaan voordat de vergunning wordt verleend en voordat de werkzaamheden die onder de werkvergunning vallen worden uitgevoerd. Individuele werkvergunningen moeten betrekking hebben op duidelijk omschreven individuele werkstukken. Werkvergunningen moeten normaal gesproken het volgende bevatten:

  • Het is essentieel dat er geen onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd totdat de mogelijke gevaren van het werk zijn duidelijk geïdentificeerd en beoordeeld;
  • de benodigde voorzorgsmaatregelen zijn gedetailleerd gespecificeerd;
  • identificatie van de gevaren, inclusief de restgevaren en de gevaren die door het werk zelf zijn ontstaan;
  • de nodige veiligheidsuitrusting is voorzien; en
  • aan alle betrokkenen adequate en duidelijke instructie is gegeven

Op zoek naar deskundig PGS15 advies? Neem contact met ons op.

Risico’s benaderen in PGS 15 & PGS 37 Nieuwe Stijl

Wat kan ik verwachten van de nieuwe richtlijn voor de opslag van li-ion batterijen? En van de PGS 15 Nieuwe Stijl? Hoe vul ik het onderwerp ‘Incidentbestrijding’ in bij mijn bedrijf? Dit waren zomaar wat vragen die centraal stonden bij de ‘Chemie on Tour’ van 28 september jl. De Tour vond deze keer plaats bij logistiek dienstverlener Vos Logistics in Roosendaal.

Na een lange radiostilte wegens COVID-19, kon branchevereniging VNCW op 28 september 2021 eindelijk weer een Chemie on Tour organiseren. Het concept van de Tour is inmiddels bekend: middels een tournee langs diverse bedrijven in de chemische logistiek wordt voldaan in de behoefte van logistieke ketenpartners om ervaringen met gevaarlijke stoffen met elkaar te delen. Iedere Tour staan ‘best practices’ over het veilig werken met gevaarlijke stoffen centraal, waarbij valkuilen en mogelijke oplossingen aan bod komen. Na lezingen van experts uit het veld wordt iedere Tour afgesloten met een rondleiding bij de host van het evenement.

PGS 37 lithium-ion accu’s

Het op de correcte en meest veilige manier opslaan van lithium-ion (li-ion) batterijen speelt een steeds grotere rol in de chemische logistiek. Om te weten hoe je dit het beste kunt doen maakt de PGS 37 commissie een veiligheidsrichtlijn voor het professioneel opslaan van dit soort batterijen en voor energieopslagsystemen met deze batterijen. Elske van de Fliert, voorzitter van deze commissie, is één van de sprekers tijdens de Chemie on Tour.

Verder lezen, neem dan een abonnement op chemische logistiek Magazine. Of ben je op zoek naar PGS15 advies?

Blusgassystemen vragen om extra maatregelen

Blusgassystemen zijn binnen West Europa in toenemende mate populair als VBB-systeem binnen de opslagen met gevaarlijke stoffen. Dat is echter niet zonder risico’s. Bij het ontstaan van brand treden er risico’s op voor de in de ruimte aanwezige personen (rookgassen, ontledingsproducten en hitte). Er worden speciale eisen gesteld aan de persoonlijke veiligheid in relatie tot het inbrengen van het blusgas. Hiervoor is in Nederland een aparte brancherichtlijn van de Specifieke Veiligheidsinformatie (SVI) ‘Blussystemen, veiligheidsaspecten’ ontwikkeld, waarin technische maatregelen staan omschreven. De basisgedachte hierbij is dat iedereen de ruimte (en/of de aangrenzende ruimte) moet hebben verlaten voordat de uitstroom van blusgas plaatsvindt. Binnen het Knelpuntenonderzoek Gecontroleerd vluchten uit een gebluste omgeving, uitgevoerd door de VNCW, wordt gezocht naar aanvullende maatregelen om de risico’s nog verder terug te dringen.

Soms gaat het fout. Incidenten met dodelijke afloop met een gasblusinstallatie binnen een warehouse omgeving zijn nauwelijks voorgekomen. In ons onderzoek stuitten we op een dodelijk ongeval bij de University of Iowa in de Hazardous Waste Storage Facility (1994). Dat betekent niet dat het ongewild afgaan van systemen weinig voor komt. Hiervan zijn diverse voorbeelden, ook in Nederland, bekend. Dat dit nog niet geleid heeft tot  dodelijke slachtoffers is vooral een goed teken. Meer incidenten zijn bekend in andere omgevingen en ook deze signalen moeten we meenemen. In een automatische parkeergarage onder een appartementencomplex aan de Markendaalseweg in Breda raakte begin februari 2020 een man zwaargewond door een CO2-blusinstallatie. De man was in de parkeergarage aanwezig toen het blussysteem met CO2-gas in werking ging. Hierdoor kreeg hij geen zuurstof meer en raakte hij buiten bewustzijn. De man werd door de brandweer uit de ruimte gehaald en gereanimeerd door de hulpdiensten. Hij werd met spoed naar het ziekenhuis vervoerd, maar was wel aanspreekbaar.

Aan boord van zeeschepen wil het nogal eens fout gaan. In Mei 2019 vielen 10 doden aan boord van een Chinees vrachtschip.

Een studie van het Amerikaanse Environmental Protection Agency toonde een inventarisatie van ongevallen met CO2-lekken bij blussystemen tot en met 1999. Dat onderzoek laat een 119 doden zien op internationaal niveau en 152 gewonden. Statistieken na 1999 ontbreken helaas. Daarbij is het lastig om gegevens uit China te verzamelen.

Een blusgassysteem is opgebouwd uit een voorraad blusgascilinders en/of -tanks die zijn opgesteld in of nabij de te blussen ruimte. Dit kan zowel binnen als buiten het gebouw zijn. Aan deze opstellingsruimte zijn veiligheidseisen gesteld conform de SVI-publicaties. Ieder systeem is voorzien van een leidingwerk waardoor via ‘nozzles’ het blusgas in de te blussen ruimte wordt afgeblazen. Dit leidingwerk is een zogenaamd open leidingsysteem. Dit moet met behulp van een voor het desbetreffende systeem geschikt softwarepakket worden ontworpen en hydraulisch berekend. Onderzoek van de onderzoeksgegevens laat zien dat het vooral fout gaat tijdens onderhouds- of testfasen. Daarnaast waren er incidenten door het gebrek aan informatie en onvoldoende training van het personeel over de CO2-risico’s.

Wanneer we naar een gevaarlijke stoffen opslag kijken hebben we rekening te houden met veel criteria. Blusgas is alleen toe te passen in een gesloten ruimte als volumebeveiliging, waarbij rekening moet worden gehouden met een RWA. Bovendien is het niet toepasbaar bij zuurstof genererende stoffen en niet toepasbaar bij kernbranden. Bij het gebruik van blusgas moet er extra aandacht zijn voor persoonlijke veiligheid en omliggende ruimten.

Voor sommige risicogroepen geldt echter een verhoogd risico voor de gezondheid:

  • Bij chemische blusgassen bestaan deze nadelige effecten in de eerste plaats uit hartritmestoornissen.
  • Bij de inerte blusgassen treden in de eerste plaats ademhalingsstoornissen op en bij hogere concentraties verstikking.
  • Bij kooldioxide treedt bij lage concentraties verstoring in de bloedsomloop op en bij hogere concentraties verstikking.

De concentratie in een gevaarlijke stoffen opslag is vaak zo hoog dat, zeker bij een volledige Co2 blussing, deze concentratie zeer waarschijnlijk dodelijk zal zijn. In het onderzoek, dat zich inmiddels in een afrondende fase bevindt, wordt daarom vooral op dit soort systemen gericht. Doel van het onderzoek is om, naast de bestaande veiligheidsmaatregelen, met nog meer aanvullende maatregelen te komen. Dat zal er voor kunnen zorgen dat iedereen binnen de gebluste omgeving de gelegenheid krijgt veilig te kunnen laten vluchten uit de opslagruimte.

 

Uw PGS15 adviseur legt uit: WBDBO en vuurbelasting

Binnen de PGS15; de richtlijn voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen worden verschillende termen zoals WBDBO en vuurbelasting aangehaald die wij hier graag nader duiden.

Onder de vuurbelasting verstaan we de hoeveelheid warmte per eenheid vloeroppervlakte die vrij komt bij volledige verbranding van alle in de ruimte of in het gebouw aanwezige brandbare materialen, inclusief materialen in de constructieonderdelen die zich binnen die ruimte of dat gebouw bevinden, dan wel deze begrenzen.  Als eenheid voor de vuurbelasting geldt (mega)joule per vierkante meter nettovloeroppervlakte. De vuurbelasting is deels bepalend voor de duur van een brand in een ruimte of in een gebouw. Om een indicatie te krijgen van de duur van een brand kan worden gewerkt met de maatstaf ‘Kilogram vuren per m2’.

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO), een belangrijk begrip in de PGS15, is de kortste tijd die een brand nodig heeft om zich uit te breiden van de ene ruimte naar de andere ruimte onder standaardomstandigheden. Brandoverslag is een uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte uitsluitend via de buitenlucht. Branddoorslag is de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte anders dan via de buitenlucht. Brandoverslag en branddoorslag worden beide uitgedrukt in minuten. Dit is echter voor bandoverslag niet een echte tijdsduur. Bij brandwerendheid ligt er wel een directe koppeling in tijdsduur (testen).

Bent u op zoek naar PGS15 advies van een adviseur? Raadpleeg ons.

INPANDIGE OPSLAGVOORZIENINGEN volgens de PGS15

In de richtlijn voor verpakte gevaarlijke stoffen; de PGS15, wordt onderscheid gemaakt tussen inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen. Onder inpandige opslagvoorzieningen worden alle voorzieningen verstaan die in een (ander) bouwwerk zijn gelegen. Ook kant-en-klare opslagsystemen kunnen inpandig worden gebruikt.

Volgens 3.2.4. van de PGS15 mag In een inpandige opslagvoorziening ten hoogste: 2 500 kg verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen aanwezig zijn, of  10 000 kg onbrandbare of niet brandonderhoudende verpakte gevaarlijke stoffen van uitsluitend ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III zonder bijkomend gevaar, of ADR-klasse 9 of een combinatie van ADR-klasse 8 verpakkingsgroep II of III zonder bijkomend gevaar en ADR-klasse 9.

In de PGS15:2011 is tegenstelling tot de 2016 versie een vorm van gemotiveerd afwijken van de 2.500 kg opgenomen. ‘Door gemotiveerd afwijken kan een grotere hoeveelheid worden toegestaan (tot maximaal 10 000 kg) indien zonodig extra maatregelen of voorzieningen zijn aangebracht ter beperking van de risico’s. De aanvullend te treffen maatregelen of voorzieningen zijn afhankelijk van de hoeveelheden opgeslagen stoffen, de brandbaarheid, giftigheid enz. Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij de methodiek en grenswaarden in de tabellen 4.1 en 4.2. Een gecertificeerde brandmeldinstallatie      overeenkomstig NEN 2535 met doormelding naar een 24-uurs bezette post voldoet hier in ieder geval aan.’  Dit laatste is verwijderd uit de PGS15:2016 vanwege het feit dat de PGS15 commissie de vormen van gemotiveerd afwijken uit de PGS15 wilde halen. Dat betekent niet dat deze vorm van afwijken niet meer van toepassing is, maar dat bevoegd gezag per situatie kan bepalen of de inpandige opslag specifieke risico’s met zich mee brengt.

Inpandige opslag voor verpakte gevaarlijke stoffen brengen bepaalde risico’s met zich mee. De bereikbaarheid om iemand veilig te stellen of een beginnende brand te blussen zijn bij een inpandige opslag beperkt. In dat kader moeten we bij een PGS15 opslag kijken naar de kans op verspreiding van een brand van binnenuit de opslag naar buiten en een brand van buiten de opslag naar binnen. Het uitgangspunt van een inpandige opslagvoorziening is net zoals die van een uitpandige opslagvoorziening een WBDBO van 60 minuten. Een binnen aanval van de brandweer is hierbij geen uitgangspunt. Dat zal zich in de meeste gevallen bij een inpandige opslagvoorziening vertalen in een brandwerendheid van 60 minuten of meer. Wanneer aan de hand van certificaten aangetoond kan worden dat de brandwerendheid van een inpandige opslagvoorziening 60 minuten is, dan zal de brand binnen in de opslag gedurende 60 minuten binnen blijven, maar is het vaak ook aannemelijk dat deze door zuurstofbeperking snel uit zal gaan. Een gecertificeerde BMI zal er voor zorgen dat een beginnende brand gedetecteerd wordt, waardoor evacuatie op locatie zal plaats vinden. Een brand buiten de opslag zal door de brandwerendheid van 60 minuten gedurende 60 minuten buiten de opslag blijven. Wanneer een inpandige opslag bovendien gelegen is in een gebied welke voorzien is van een blusinstallatie wordt een extra zekerheid ingebouwd en wordt het risico van brand naar de inpandige opslag in ieder geval beheerst. Voor het gemotiveerd afwijken is dat echter niet nodig.

 

Best practice voor veilige chemische PGS15 opslag

De branchevereniging voor de PGS15 opslag VNCW heeft de afgelopen zes maanden samen met een aantal leden hard gewerkt aan een Best practice Behavior Based Safety Warehousing. Doelstelling is de veiligheid in de gevaarlijke stoffen opslagen verder te vergroten door een leidraad op te stellen. De Best practice is nu definitief geworden en beschikbaar gesteld.

In deze best practice wordt een overzicht gepresenteerd van gedragsinterventies die zich hebben bewezen in de praktijk. Daarbij zal men merken dat sommige interventies zich puur richten op directe gedragsbeïnvloeding. Maar veel interventies dragen tegelijkertijd ook bij aan het ontwikkelen van normen en waarden. Opgeteld leiden de interventies tot ontwikkeling en versterking van het veiligheid bewustzijn in brede zin binnen de magazijnen.

Als vereniging voor de PGS15 opslag maakt de VNCW zich voortdurend hard veiligheid onder de aandacht te brengen; enerzijds door te laten zien dat een veilige PGS15 opslag op de eerste plaats komt bij haar leden en anderzijds door de leden tools aan te reiken waarmee veilig werken binnen de opslagen verder kan toenemen.

De Best practice is gratis te downloaden via  www.vncw.nl/VNCW-Best-Practice-BBS-Warehousing.pdf